Woordenlijst

Op deze pagina de definities van enkele veelgebruikte termen.

Apoptose: geprogrammeerde celdood; door een intercellulair signaal gaat de cel over tot zelfvernietiging.

Centromeer: middelpunt van een chromosoom, de plek waar de 2 chromatiden aan elkaar zitten.

Chimeer:
organisme bestaande uit 2 verschillende genotypen, ontstaan door het samensmelten van 2 twee-eiige embryo's. Zie ook Echt of gephotoshopt? 

Chromatide: helft van een chromosoom identiek aan de zuster-chromatide.

Chromosoom:
opgerolde streng DNA met eiwitten, bevindt zich in de celkern.

Co-evolutie:
meerdere soorten veranderen onder invloed van elkaar. Een voorbeeld van co-evolutie vind je bijvoorbeeld bij koekoeken en hun gastoudersoorten: Co-evolutie, handtekeningen en wachtwoorden.

Commensalisme:
vorm van symbiose (samenleven) waarbij 1 van de 2 voordeel heeft, maar de ander geen voor- en geen nadeel.

Communicatie: het overbrengen van een boodschap tussen een zender en een ontvanger. Dieren en zelfs planten kennen ook vormen van communicatie: Dieren, Taal & Communicatie.

DNA: afkorting van het Engelse deoxyribonucleic acid, bevat erfelijke informatie. Een DNA molecuul bestaat uit 2 strengen die in de vorm van een dubbele helix om elkaar gedraaid zijn. Deze strengen bevatten adenine (A), thymine (T), cytosine (C) en guanine (G) basen die in paren met elkaar verbonden zijn (A-T en C-G) door middel van waterstofbruggen. 

Diploïd:
wanneer er van elk chromosoom 2 exemplaren aanwezig zijn (onze lichaamscellen bevatten 2x 23 chromosomen=46; 1 set afkomstig van de vader en 1 set van de moeder).

Fenotype:
het uiterlijk van een individu (wordt bepaald door het genotype en omgevingsfactoren).

Genotype: de genetische opmaak van een individu.

Haploïd:
wanneer er van elk chromosoom slechts 1 aanwezig is; menselijke geslachtscellen zijn haploïd (23 chromosomen).

Lateralisatie:
de mate waarin de linker- of rechterhelft dominant is of meer gebruikt wordt. Zo kennen we hersenlateralisatie, maar bijvoorbeeld ook handvoorkeur.

Meiose:
celdeling die verantwoordelijk is voor de vorming van geslachtscellen bestaande uit 2 fases. Na Meiose II zijn 4 dochtercellen ontstaan. Bij mannen wordt uit elke voorlopercel 4 zaadcellen geproduceerd, bij vrouwen zijn de 4 dochtercellen verdeeld in 1 eicel en 3 kleinere poollichaampjes.

Mitochondriën:
de energiefabriekjes in onze cellen. Ze zorgen ervoor dat energie uit voedingsstoffen omgezet wordt in ATP (de brandstof waarop onze cellen kunnen werken).

Mitose:
celdeling; voor de deling vindt DNA replicatie plaats waarbij 2 identieke chromatiden worden gevormd die nog aan elkaar vast zitten, vervolgens worden deze uit elkaar getrokken en vormen 2 nieuwe cellen met dezelfde genetische opmaak als de moedercel.

Mutatie:
een verandering; in de Biologie wordt meer specifiek een verandering in de genetische opmaak van een cel bedoeld die mogelijk ook fenotypische gevolgen heeft. Zie ook voorbeelden van kleurmutaties bij vogels.

Mutualisme: vorm van symbiose (samenleven) waarbij beide partners voordeel hebben. Lees bijvoorbeeld Parasitisme of mutualisme?

Parasitisme: vorm van symbiose (samenleven) waarbij 1 van de 2 voordeel heeft ten koste van de ander. Lees bijvoorbeeld Parasitisme of mutualisme? en Broedparasitisme, Maffia-vogels en stinkbommen.

Parthenogenese:
het ontwikkelen van een embryo uit een onbevruchte eicel. Zie ook: Zwanger zonder seks?!

RNA:
afkorting van het Engelse ribonucleic acid, kopie van een DNA-streng waarbij de nucleobase thymine (T) vervangen is door uracil (U).

Siblicide: broeder- of zustermoord. Voorbeelden van siblicide in de dierenwereld: Moordlustige en kannibalistische kids.

Zygote:
bevruchte eicel oftewel het resultaat van de versmelting van een spermacel en eicel.